doelstelling artikelen messenger vliegvissen



3 februari 2013

Winde? Blankvoorn? Rietvoorn? Kopvoorn? Roofblei?

Onze nimfende riviervliegvissers vangen regelmatig prachtige, grote vissen. En wanneer er een mooi exemplaar gevangen is rijst dikwijls de vraag: wat is het? Er is vooral verwarring als het gaat om de verschillen tussen blankvoorns, windes en kopvoorns. Dat hoeft helemaal niet, want de verschillende soorten zijn goed van elkaar te onderscheiden.

Om vissen te kunnen determineren moeten we weten op welke kenmerken we moeten letten. En daarvoor hoeven we het niet helemaal wetenschappelijk te doen, want dan zouden we bijvoorbeeld ook naar de plaats, het aantal en de vorm van de keeltanden, het aantal vinstralen, ja of nee vertakt, of de vorm van de schubben moeten kijken. Neen, we houden ons bij de meest opvallende uiterlijke kenmerken. En dat zijn er toch nog wel de nodige:

 

Hieronder geef ik de diverse kenmerken voor determinering van de betreffende vissoorten aan, waarbij ik de meest opvallende kenmerken vet heb weergegeven.


Winde (leuciscus idus): iets zijdelings afgeplat lichaam; eindstandige, kleine bek; rug bruingroen tot grijs, zijden lichter van kleur met kopergele gloed, rug en staartvin donker, violetachtig, andere vinnen roodachtig; anaalvin concaaf; voorzijde rugvin ongeveer ter hoogte van achterzijde buikvinnen; 54-61 schubben op de zijlijn; 9-10 schubben boven, 5-6 onder de zijlijn.

 


Blankvoorn (rutilus rutilus): afhankelijk van leefomgeving (voedselrijkdom) komen verschillen in lichaamsvorm voor, rug is meer of minder oplopend, lichaam zijdelings samengedrukt, de kop is relatief klein, de ogen zijn groot. De bek is eindstandig, klein, in een dikke snuit. De rug is geelgroen tot blauwgroen, zijden zilverachtig met blauwe weerschijn, vinnen geelachtig tot oranjerood, doorschijnend; voorzijde rugvin recht boven voorzijde buikvinnen. Ogen geel met rood-oranje vlek, soms geheel rode iris (vandaar de naam ‘Rotauge’ in het Duits); 42-45 schubben op de zijlijn,
7-8 boven, 3-4 onder.

Rietvoorn (scardinius erythrophtalmus): hogere rug dan blankvoorn, tussen buikvin en anaalvin kielschubben, waardoor daar een scherpe rand voelbaar is; opvallend naar boven gerichte bek (bovenstandig, met iets vooruitstekende onderkaak); groenachtig bruin tot donkergroene rug, goudgeel glanzende zijden, zilverwitte buik. Borstvinnen geelachtig bruinrood, overige vinnen meestal intens rood; voorzijde rugvin duidelijk achter achterzijde buikvinnen; 40-43 schubben op de zijlijn, 7-8 boven, 3-4 onder.

Kopvoorn of meun (leuciscus cephalus): cylindrisch lichaam, brede, afgeplatte kop, grote, brede bek. Rug bruin- of groenachtig, zijden zilver, soms geelachtig, of met koperrode gloed, schubben met donkere randen, waardoor een netvormige tekening op het lichaam ontstaat, donkere rug- en staartvin, buik- en anaalvinnen donker met enig rood, ogen groenachtig, anaalvin meer of minder convex; 44-46 schubben op de zijlijn, 7-8 boven, 3-4 onder.

Roofblei (aspius aspius): gestrekt, enigszins samengedrukt lichaam, de spieren van deze vis voelen keihard aan, grote sterke, diep ingesneden staart; bovenstandige bek, grote mondopening; verdikte, vooruitstekende onderkaak; relatief kleine ogen; donkere, groen- of blauwachtige rug; geelachtige zijden, onderzijde zilver; vinnen donker en roodachtig; 67-70 schubben op de zijlijn; 10-12 boven, 4-5 onder.

Veel succes met vangen, en vaststellen van de gevangen soort!

N.B. Het was de Zweedse arts en bioloog Carolus Linnaeus (L), 1707-1778, die in zijn tijd (ruim voor Darwin) de natuur naar families en soorten is gaan ordenen, en daartoe de binomiale nomenclatuur (tweeledige latijnse naamgeving) heeft ingevoerd. Hij heeft niet alleen dieren en mineralen, maar o.a. ook meer dan 7000 soorten planten geklasseerd.

JanvdB

 

<< Vorige | Volgende >>