doelstelling artikelen messenger vliegvissen



17 oktober 2013

Deense zeeforel, wie wat, waar en hoe

 

 

 

 

 

 

Vissen op zeeforel is als het ware een Deense nationale sport. Langs vrijwel de hele Deense kust kun je op zeeforel vissen. Zelfs op plekken waar nauwelijks structuren of planten aan te treffen zijn kun je zeeforel tegenkomen. Rond eilanden, en in fjorden is het dikwijls zeer de moeite waard om je geluk op zeeforel te gaan proberen. Er gaan ook steeds meer Nederlandse vliegvissers naar Denemarken. In de lente bijvoorbeeld, kom je ze “met bosjes” tegen aan de kusten van het eiland Funen (Fyn).


De latijnse naam van zeeforel is “Salmo Trutta”; dat wil zeggen dat het dezelfde vis is als de beekforel, en de meerforel, alleen de zeeforel heeft net als de zalm een zgn “anadrome” levenswijze, hij paait in het zoete water, in beken en rivieren, en brengt de rest van zijn leven in de zee door. Het grote verschil met de zalm is wel dat de zeeforel in zee bij de kust blijft, terwijl de zalm een lange reis maakt  richting Groenland, o.a.. Omdat de zeeforel in zee meer kreeftachtigen eet dan zijn zoetwatercollegae, is de kleur van zijn vlees dikwijls veel roder dan die van de beek- of meerforel, maar dat betekent niet dat het een andere soort is.  In het voorjaar zijn de zeeforellen op hun mooist, dan lijken het net staven zilver. Wanneer ze de rivier optrekken om te paaien dan verkleuren ze, en tegen de paaitijd zijn ze bruinrood van kleur. Dit wordt het paaikleed genoemd. Om eitjes te produceren en om de rivieren op te trekken en daar de winter te overleven wordt een aanslag op het spierweefsel gedaan; “gekleurde” vissen zijn niet lekker meer. Na de paai zijn de vissen uitgeput en sterk vermagerd. Ze worden dan “Nedfalsfisk” genoemd (Engels; “Kelt”). Maar veel van de afgepaaide vissen gaan weer terug naar zee en sterken daar snel weer aan voor het volgende paaiseizoen (vang je een kelt, zet hem dan weer zo snel mogelijk terug!). De jonge zeeforelletjes (”parr”) blijven in het zoete water tot ze een centimeter of twintig zijn (“smolt”), en trekken dan naar zee. Daar groeien ze zeer snel, tot wel 20cm erbij in een jaar.
Overigens is de meeste zeeforel die je rond Funen vangt afkomstig uit viskwekerijen. Funen zelf heeft erg weinig rivieren en beken waarin de zeeforel zich voortplant, en dus wordt het visbestand (o.a. ten behoeve van het vistoerisme) driftig een handje geholpen. Er zijn zelfs periodes geweest dat in Zweden gekweekte zeeforel rond Funen werd uitgezet.
De zeeforel eet allerlei voedseldiertjes, zoals insekten (in zoet water), garnalen, kreeftachtigen, zagers, en kleine vissen, zoals stekelbaarsjes, spiering en haring. Alleen, het blijkt toch niet zo te zijn dat je altijd met van alles en nog wat op zeeforel kunt vissen, ze blijken dikwijls - ook afhankelijk van het plaatselijke voedselaanbod - heel kieskeurig te zijn. Het voedselaanbod heeft natuurlijk met de plaatselijke bodem- en plantenstructuur te maken, maar ook met watertemperatuur, lengte van de dag, zonne-instraling, enz. De seizoenen hebben zeker invloed op het (in meerdere of mindere mate) voorkomen van bepaalde voedseldiertjes. In het vroege voorjaar is de zeeforel vooral gespitst op garnaal- en kreeftachtigen, en visimitaties (want kleine visjes zijn nu ok op jacht naar garnaal en co.).  ’s Zomers is het voedselaanbod het grootst; maar de visserij op zeeforel het moeilijkst. De zeeforel kan het best gezocht worden op diepere plaatsen, en visimitaties zijn dikwijls de beste keuze (heel veel vissoorten komen naar de kust om te paaien, of hebben gepaaid en voor het nodige “speldaas” gezorgd. Bij aflandige wind komt het in de nazomer wel eens voor dat vliegende mieren in het water waaien. Dan is er een goede kans dat je met een droog vliegje goede vangsten kunt doen (let op kringen op het water). In het najaar is het voedselaanbod groot, maar er staat vooral vis op het menu van de zeeforel.
Het is nuttig te weten dat de stofwisseling van een zeeforel, die een koudbloedig wezen is, en dus zijn trek in voedsel, samenhangt met de temperatuur van het water. Zijn “comfortzone” ligt bij watertemperaturen van rond de 12°C. Hij houdt niet van heel koud kustwater, dat zouter is dan warmer water, en dus trekt hij daarvan weg, of naar dieper, warmer water, of naar plekken waar het water minder zout is, zoals in de buurt van de mondingen van rivieren en beken. In het hele vroege voorjaar, als het water nog erg koud is kun je als sportvisser de zeeforel dus het beste gaan zoeken op plekken waar het water zoeter is, in fjorden en bij riviermondingen dus (denk er wel aan dat je minstens 500 meter van een riviermonding weg moet blijven). Vis ’s winters of in het vroege voorjaar, bij heel koud water, met grotere, opvallend gekleurde vliegen (zgn. “attractors”), en vis ze langzaam. Ook ’s nachts, en bij gekleurd en onrustig water is het een goed idee met wat grotere vliegen te vissen. Als de zon schijnt wordt water in zgn “badkuipen”, plekken tussen riffen, of verdiepingen dichtbij de oever, en in kleine baaien sneller warm (denk aan de ondiepten, achter de steendammen in het Oostvoornse Meer). Zulke badkuipen zijn de allerbeste stekken als het water nog koud en de zon al lekker warm is. Denk in de koudere periodes ook aan jezelf: een neopreen waadpak en thermo ondergoed is geen luxe!
In het vroege voorjaar,in de (korte) periode dat de zagers gaan zwermen, kan de zeeforel helemaal op deze dieren gefocust raken. Een zagerimitatie is dan de aangewezen “vlieg”. Deze vlieg vist men met korte rukjes en laat hem daarna weer naar de bodem zakken. Vervolgens weer met korte rukjes omhoog vissen, enz.
De zeeforelvisserij is geen “vakantievisserij”; uitslapen is er niet bij!! Aan het einde van het voorjaar, en het begin van de zomer zijn er de “gouden uren”: dan zijn de zonsopkomst en zonsondergang de beste tijdstippen (gebruik bij glashelder en spiegelglad water kleinere vliegen, aan een dunne leaderpunt); ook ’s nachts vissen kan heel goed zijn. Het water koelt ‘s nachts namelijk weer wat af, en de zeeforel komt uit het diepere water naar de kust om te eten. Veel succes wordt ‘s nachts geboekt met zgn oppervlaktevliegen, zoals poppers,  muddlers en gurglers.
Het najaar is wellicht de beste tijd, dan is de zeeforel extra hongerig omdat zijn paaitrek voor de deur staat en hij zo krachtig mogelijk aan die trek wil beginnen en de aanstaande winter wil overleven. Hij is op weg naar zijn paairivier, en dus zijn de beste plekken in de buurt van riviermondingen en in de fjorden te vinden.
Om op zeeforel te vissen hoef je niet ver (of diep) te waden. De vis komt bij het zoeken naar voedsel dikwijls heel dicht onder de kant. Verder dan heupdiep waden is echt niet nodig. De zeeforel is constant in beweging, op zoek naar voedsel. Soms alleen, dikwijls in scholen. Dat betekent dat je na een beet of vangst niet meteen een andere plek moet gaan opzoeken. Andersom, als je op zoek bent naar vis, en je hebt hem nog niet gevonden, is het goed om in beweging te blijven. Als je binnen 10-15 minuten geen beet krijgt of geen vis ziet bewegen, dan is het beter een stuk verderop te gaan. Het schiet niet op om honderden worpen achter elkaar vanaf dezelfde plek te maken. Varieer tijdens het vissen wel in diepte en inhaalsnelheid, en geef je vlieg het “leven” van het voedseldiertje dat het imiteert: vis een visje sneller, een garnaaltje langzamer, enz. En, vis je vlieg ook niet “te” diep, want een vlieg tussen de zeeforel en het wateroppervlak valt meer op dan een vlieg tussen de planten. Kijk tussen de worpen goed om je heen; bij de juiste watertemperaturen zwemt de vis vaak hoog, en verraadt zich door rimpelingen, boeggolven en wervelingen in het water.
Als je met meer vismaten bent is het een goede “truc” om op beloftevolle stekken enkele honderden meters uit elkaar te gaan vissen. Als iemand dan op vis stuit kan hij de anderen (bijv. telefonisch) waarschuwen om naar zijn stek te komen.
À propos, planten! De zeeforel bevindt zich waar het voedsel is, en het voedsel bestaat uit allerlei kleinere en grotere waterdiertjes die zich het liefst tussen planten en bij structuren ophouden. Daar waar de zeebodem begroeid is met aalgras en sargassowier, en bij mosselbedden, bij kusten met grote stenen, daar leeft het voedsel van de zeeforel. Van enige afstand en van boven (bijv. vanaf een klif) ziet de bodem er op dat soort plekken gevlekt uit, als een luipaardvel… Daarom noemen de Denen deze bodem ook “Leopardbund”. Dit soort plekken zijn zeer de moeite waard om uit te proberen.
Andere goede stekken bevinden zich bij stroomnaden. Die ontstaan daar waar sneller stromend water op langzamer stromend water, of op stilstaand water stuit. Zulke plekken vind je het meest bij uitstekende landpunten, bij steenhopen, riffen, tussen de kust en een eiland(je), enz. Met zo’n stroomnaad wordt dikwijls veel voedsel aangevoerd en daarom zijn er heel vaak zeeforellen bij deze voedsel trechters aan te treffen. Bovendien is het stromende water meestal kouder dan het stilstaande water, en daarom zijn deze stekken ’s zomers het best.
Bij de vliegvisserij op zeeforel worden meestal hengels #6/7, bij harde wind tot # 8 gebruikt. Een zoutwaterbestendige reel met flink wat backing hoort erbij. Verder een drijvende WF of torpedo lijn, want het kan flink waaien aan de Deense kusten. Een verblijf op een (klein) eiland, of bij een grillig gevormde kustlijn kan dan een voordeel zijn: bij heel harde wind valt er dikwijls nog een stek te vinden waar je uit de wind staat, of er de wind van achter hebt. Kies een (fluorocarbon) leaderpunt van 0,18mm., liefst dikker, want er zitten hele grote! Favoriete vliegen zijn (zoals gezegd) garnaalimitaties, zoals Pattegrisen, Olive Shrimp, Glittergarnaal, e.d., en vis(jes)imitaties, zoals Magnus, Woolly Bugger en Zonkers. Bezoek bovendien altijd een hengelsportzaak in de omgeving, daar weten ze wat de hotspots en de meest succesvolle vliegen zijn. Over zeeforelvliegen is meer te vinden in een ander artikel in deze Messenger. O ja, vergeet niet je Deense vergunning (“Fisketegn”) te kopen op het postkantoor. En, tenslotte, vanaf half mei, tot in juni vindt de gepentrek plaats. In die periode kunnen enorme hoeveelheden geep (“hornfisk”)  langs de Deense kust voorkomen. En een springende en spartelende geep aan de vliegenhengel is een leuke bijvangst. Het is wel belangrijk om na de vangst van een geep je leaderpunt te controleren. Die gepen hebben heel veel scherpe tandjes en kunnen een leaderpunt aardig laten rafelen.
Iets over specifieke stekken. In de Duitse en Engelse taal (Havørred Guide Fyn) zijn stekkenboekjes te koop (o.a. bij www.visitfyn.dk) en verder zijn er (als aanvulling) stekkentips te over op www.seatrout.dk (doorklikken naar “fiskepladser”, en dan de visjes aanklikken; de tekst is helaas in  het Deens, maar met Google Earth erbij kun je een heel aardige indruk krijgen). Voorbeeldtekst: “Der er flere lokale, fynske havørredfiskere, der kun fisker på Wedellsborg, og de fanger masser af fisk hvert år. Wedellsborg Hoved er et forsøg værd året rundt. Afhængig af vindretning fiskes der på nord -, syd - eller vestsiden. Kun en meget kraftig vestenvind kan ødelægge mulighederne.
P: Parkering på sydsiden ved Sdr. Åby Strand”.:
Er zijn veel lokale, Fuunse zeeforelvissers die alleen maar bij Wedellsborg vissen, en die daar elk jaar massa’s vis vangen. De kop van Wedellsborg is het hele jaar rond een poging waard. Afhankelijk van de windrichting kun je aan de noord-, zuid- en westkant vissen. Alleen een heel sterke westenwind kan de mogelijkheden tenietdoen. P: Parkeren aan de zuidkant, bij het Zuid Åby Strand.
Er is een ook Duitse site die een groot aantal stekken over heel Denemarken (dus ook de fjorden) op een kaart toont, ook via een systeem met aanklikken van vissenkopjes. De informatie over de stekken is overigens erg summier, kijk maar eens bij: http://daenemark.fish-maps.de/schlagwortsuche/fischarten/meerforelle.
Verder is een aantal zeer gedetailleerde stekkenbeschrijvingen (opnieuw in het Deens), met foto’s, te vinden op www.fynfisker.dk, ga naar “hotspots”, en dan naar “pladsbeskrivelser”. Deze truc kan heel succesvol zijn. Zo ging een groepje van elf vliegvissers van de Amsterdamse Vliegvisvereniging “De Meivlieg” in het najaar van 2010 (18-25 september) naar de westkust van Funen, naar Torø (zie ook: http://www.fynfisker.dk/Toroe_Huse.asp), en was daar heel succesvol; in die ene week werden er maar liefst 189 zeeforellen gevangen! In hun Denemarken-checklist heb ik de volgende serie aanbevolen vliegen gevonden: Mysis, Pattegrissen, Magnus div. uitvoeringen, Petertje, Juletrea (oa groen), Gammarus (vlokreeft o.a. grijs), overige garnaal imitaties. Torø, bij Torø Huse, is een (schier)eilandje aan de Fuunse westkust, vlakbij Assens. Het is een prachtig gebied, er zijn kliffen, zand- en steenstranden, mosselbanken, en steenriffen. En er zijn veel plekken met een luipaardbodem. Om de uiterste punt van het eiland staat veel stroming, over een rif. Volgens de Denen is dit een absolute hotspot. En, je kunt er altijd een plekje uit de wind vinden! Op diepere plekken, op een zandbodem, werd ’s nachts (aan een “woolley bugger”) behoorlijk gul gevangen.
Een ander groepje “Meivliegers” was in het voorjaar op dezelfde stek geweest en daar een enorme school geep tegen het lijf gelopen. Met kleine oranje gedubte vliegjes met een koperen kopje (# 8-12) hebben ze daar prachtige vangsten gedaan.
N.B. enkele van de bovenstaande foto’s zijn met toestemming van Jan van Westerop van de site van de Meivlieg, www.meivlieg.nl, gecopieerd.

JanvdB

 

 

 

 

<< Vorige | Volgende >>